Heb je je ooit al eens afgevraagd hoe het familieleven van onze Tiense Reuzen verloopt? De reuzen zijn zo doorsnee als jij en ik. Alleen iets groter. Een typische donderdagochtend bij het ontbijt; Jan leest de sportkatern van de krant, Tiske en Nieke zijn verwikkeld in een gesprek over hun drukke sociale agenda en Mie komt uit de keuken met een reuzenpan vol spek met eieren aangelopen.
Ik word oud. Dat is een vaststelling die je meestal voor het eerst maakt wanneer je dertiger wordt. Ik ben daarop geen uitzondering. Ik kwam tot die vaststelling toen ik in een boekenwinkel tussen de reisgidsen stond. In een hoekje trok een kast mijn aandacht. Ik inspecteerde aandachtig de schijnbaar ontelbare kleine vakjes met daarin keurig gevouwen en netjes opgeborgen papieren. Een opschrift boven de kast luidde: ‘Belgische stafkaarten’. In tijden van Facebook, Twitter en meer van die digitale pretparken kan ik me inbeelden dat veel jongeren zich niet meteen iets kunnen voorstellen bij zoiets als een ‘stafkaart’ of ‘topografische kaart’, zoals zo’n ding officieel heet.. En als ze al weten wat een stafkaart is, dan kan ik me inbeelden dat ze er het nut niet meer van inzien. “Ik zoek wat ik nodig heb toch gewoon op Google Maps?”
Ik wilde deze week eigenlijk een ander thema aansnijden, maar mijn frietschrijfsel van vorige week heeft daar anders over beslist. Zoals je je wellicht nog herinnert, schreef ik daar een korte passage over een frituur die de uitbater zelf omschrijft als: de ‘oudste en meest authentieke’ van Tienen. De man in kwestie was niet gelukkig met wat ik schreef. Ik belde hem op om uit te leggen wat ik bedoelde.
Wanneer je met een buitenlander over België spreekt, dan komen frietjes of ‘French fries’ onvermijdelijk ter sprake. Als goede Belg voel je dan vaak de drang om te reageren: “Het zijn eigenlijk wel Belgische frietjes, hoor!”. Alleen bedoelen Engelstaligen met de aanduiding ‘French’ niet dat de frieten van Frankrijk komen. Ze hebben het over de manier waarop de aardappel gesneden wordt. ‘Julienne’ zouden wij zeggen, ook al ontleend uit het Frans: het versnijden van bijvoorbeeld groenten of vlees in fijne reepjes. Kortom, België is en blijft dus de enige echte Frietstaat.
Bij het lezen van deze column heb je wellicht al gedacht: “Logist? Da’s zeker familie van de burgemeester.” Veel mensen denken zelfs dat ik de zoon van onze burgervader ben. Maar die heet Sven, niet Kevin. Victor Boeckaerts, berucht leerkracht fysica van het Atheneum in de Gilainstraat, riep me gedurende verschillende jaren op de volgende manier tot de orde: “Sven! Opletten!” Waarop ik natuurlijk niet reageerde. Ik lette trouwens alleen maar op wanneer hij zich waagde aan de één of andere fysische proefneming, die meestal spectaculair faalde.








Recente reacties