Selecteer een pagina

Je fume, donc je suis…

“Begin maar te roken, dan dood je al die bacteriën in je lichaam wel!” Een ex-collega zei dit eens tegen me terwijl ik met een joekel van een verkoudheid zat, waarbij mijn hoofd zo vol met snot zat, dat als ik mijn ogen iets te hard sloot, er, jawel, ook langs daar iets durfde te ontsnappen. “Hoe is het mogelijk”, dacht ik, “Dat je nog steeds kan doen alsof roken eigenlijk niet zo heel erg is?” Bwoa, je longen worden maar zwart en zijn doordrongen van teer (Ja, inderdaad, dat spul waarmee wegen, daken, en zo… gelegd worden), je raakt er bovendien nog eens verslaafd aan, en het is ondertussen bewezen dat je er dood aan gaat (langzaam, dat wel, maar toch…).

Bwoa, wat doet één sigaretje zo nu en dan, buiten voor lip, long- en andere kankers zorgen? Wat doet één sigaretje nu maar meer dan een grote hap uit het huishoudbudget nemen? En waarom is het feit dat je uithouding er sterk op achteruit gaat nu van belang?

Er is een tijd geweest dat roken een icoon was. Het was ‘cool’. James Dean rookte. Niet alleen hij, maar ook alle andere bekende koppen rookten op en van het scherm, wat men in Nederland een ‘saffie’ noemt. Je deed het dus, omdat het cool was. Die tijd is echter al lang voorbij. Enige peer-pressure terzijde gelaten, is er nu nog weinig ‘imago’ aan het roken van een sigaret. En toch stijgt het aantal minderjarige rokers…

Het enige wat voor een niet-roker onaanvaardbaar zou moeten zijn, is het passief meeroken. Deze rook is veel ongezonder, want ongefilterd. Ik hoor vaak rokers zeggen: “Ik doe wat ik wil, het is mijn lichaam, en ik beslis wat ik ermee doe!” Akkoord, maar ik ook! Daarmee dat het positief is dat er langzaam maar zeker een anti-rookwetgeving opgesteld wordt. Bijna zo langzaam als de dodelijke gevolgen van het roken zelf, maar het gaat de goede richting uit.

Hoe dan ook, maakt het me zelf niet écht zoveel uit als er mensen rondom me heen roken. Mijn beide ouders roken, dus ik ben het ondertussen al gewoon. Toch kan ik het soms niet laten om mensen er (vriendelijk en beleefd, maar daarover een volgende keer meer) op te wijzen dat er op sommige plaatsen niet gerookt mag worden. In het station bijvoorbeeld. Of op het perron. In mijn studententijd stond ik rustig op het perron op mijn trein te wachten. Ik was iets te vroeg en er stond dus nog weinig volk te wachten. Schuifelt er daar ineens vanuit de donkere krochten van de wandelaarstunnel een oud vrouwtje (nog ouder dan een moedertje) op het perron, zo weggelopen uit een heksensprookje (het kan ook een rusthuis geweest zijn…).

Ze stopt net naast me. Ze haalt een zakje tabak tevoorschijn (zo eentje dat ze zelf nog heeft bijgevuld met tabak van eigen teelt). Ze rolt daarmee vakkundig, zoals alleen bissende en trissende studenten dat kunnen, een sigaret, die, en ik overdrijf niet, enorm was. Dat is natuurlijk relatief tegenover een klein oud dametje, maar toch. Ze neemt haar vooroorlogse aansteker, die ongetwijfeld op diesel brandt, en steekt haar sigaret(je) aan. Er stijgt daar een damp op, onwaarschijnlijk. De meeste andere passagiers vonden het raar dat er ineens een dikke mist kwam opzetten en toen kwam ik op het lumineuze idee: “Goh, laat ik maar eens vriendelijk vragen of ze het heel erg zou vinden om haar sigaret uit te doen”, omdat het zichtbaar bijna iedereen stoorde (ook de andere rokers, dus dat zegt al wel iets…). Ik daar naartoe: “Euhm… excuseer mevrouw, u mag hier eigenlijk niet roken. Zou u het heel erg vinden om uw sigaret te doven, want het is niet echt aangenaam”.

Ik dacht al dat dat dametje zich op een bedeesde manier zou verontschuldigen en d’r rookstokje zou uitdoen. Boy, did that blow up in my face! Ik bespaar jullie de details, maar ik geloof dat ik nog nooit zo’n gore verwijten gehoord heb komende van… eender wie eigenlijk! Nadat het dametje ermee gedreigd had haar sigaret vakkundig te doven in combinatie met m’n aars (echt waar!), besloot ik om wijselijk naar een ander deel van het perron te gaan. Dus je ziet maar, sommige rokers zijn onverbeterlijk én ook nog eens onnoemelijk grof in het verdedigen van hun verslaving. Je fume, donc je suis…? Oui, mais un peu moins long et moins poli, je regrette…

Dijkschijter!

U kent ze wel: de hondeneigenaars die zich niets aantrekken van het verbod op honden op het strand en die hun lieftallige huisdier op de meest strategische plaatsen van de dijk ‘hoopjes’ laten maken. Niet dat we iets tegen honden hebben, neeuhj, verre van. Tenzij enkele kattenliefhebbers, die niets van onze trouwe viervoeter willen weten, wegens niet eigenzinnig genoeg (zoals Minneke Poes dat wél is) of wegens te groot of te veel kwijl (Sint-Bernard, iemand?). Neen, Fikkie kan er niks aan doen. Het zijn echter de eigenaars van Fido die zich niets aantrekken van enige bepalingen die door de verschillende kustgemeenten worden opgelegd.

Wie is er al niet eens in een hondenpoep getrapt? Wie ergert er zich nu niet eens aan de honden die ‘onbeheerd’ over het strand of over de dijk lopen? Toegegeven, meestal zullen de hondeneigenaars zich pas op het strand begeven, nadat de bewaking van de reddingsdiensten erop zit, zo rond zeven uur ’s avonds. Toch blijft het vervelend als we overdag uitwijkmanoeuvres moeten doen om niet over leibanden te vallen of om niet in ‘drollen’ te trappen.

Erger nog is dit fenomeen ’s avonds, wanneer iedereen zich aan het ‘dijklopen’ zet (Je moet van dat kustvocabularium houden, niet?). Natuurlijk komen dan alle oudere dames (‘moedertjes’) buiten om samen één of meerdere honden, die gemakkelijkheidshalve op maat van de eigenares werden gekweekt. Het zijn die typische schoothonden: de Yorkshire, de Shih-Tzu, de Malteser, de Chiouaoua (of zoiets), en noem maar op.

Eigenlijk zijn deze rassen te klein om hond genoemd te worden, maar vermits op de laatste conventie van de verenigde dierenrassen, elk ras een veto inriep met als intentie deze dieren te weren, én omdat de afgevaardigde Bobtail het te druk had met het besnuffelen van het achterste van de notuliste (niet toevallig een bevallige Franse poedel), werden deze door de natuur benadeelde schepsels, volledig onterecht het label ‘hond’ toegekend. ‘Knaagdier’ had niet misstaan, maar de vertegenwoordiging van de ratten haalde aan dat ze nog maar net de cavia’s een erkenning hadden gegeven en dat een extra belasting van de soort er voorlopig echt niet bij kon.

Maar we dwalen af. Het ging erover hoe weinig hondeneigenaars rekening houden met niet-eigenaars (vergelijkbaar met rokers en niet-rokers, maar daarover de volgende keer meer). We zouden eigenlijk al tevreden zijn, wanneer alle baasjes hun dieren goed aan de leiband houden en wanneer ze de ‘troep’ van hun lievelingen met een kakzakje zouden meenemen (of best weggooien, eigenlijk…). Was dit het geval, dan was er geen probleem. Dan zal niemand iets zeggen als er met deze honden vrolijk over de stranden gedarteld wordt.

Het is echter anders… Maar gelukkig voor ons, taalminnend Vlaanderen, geeft dit ook weer de ruimte voor door en door Vlaamse neologismen, die onze taal steeds weer verrijken. het is dan ook steeds weer met de glimlach dat je zegt (wanneer je schoenen weer eens om zeep zijn): ” ’t Is weer een dijkschijter!”