Selecteer een pagina

Et bakkes van de Groewete Met

“Weet je wat ik me onlangs realiseerde?” Zo sprak een goede collega me onlangs aan. Nieuwsgierig als ik ben vroeg ik me al af wat ze me ging vertellen, en tegelijk bedacht ik zelf al een aantal dingen die een doorsnee vrouw zich om de zoveel tijd zou kunnen realiseren. Mijn gedachten dwaalden even af, maar ik vroeg gelukkig onmiddellijk: “Geen idee, wat dan?”

“Wel,” zei ze,”Ik moest vorige dinsdag in het Atheneum van Tienen zijn voor een infosessie.” Nu moet je weten, voor ik verder vertel wat ze me zei, dat die bewuste collega ook in het Tiense woont, maar door haar job niet zo vaak meer in het centrum van de stad moet zijn. “Het viel me op,” vervolgde ze,”dat we eigenlijk wel een hele grote ‘Grote Markt’ hebben. Daar was ik me eigenlijk helemaal niet van bewust.” Nu bedoelde ze, zo vermoed ik, niet noodzakelijk de oppervlakte van ons Tiens ‘forum’, maar dinsdag is in Tienen toevallig ook de marktdag. Dus, behalve op de vrij indrukwekkende oppervlakte van de markt, is het zo dat op die dag ook in alle aangrenzende straten, zoals bijvoorbeeld de Nieuwstraat, marktkramers aller hande te vinden zijn.

Haar opmerking zette me aan het denken. Enerzijds is het grappig dat iemand zich verbaast over het feit dat onze grote marktplaats op een doeltreffende en indrukwekkende manier kan ingevuld worden. Anderzijds, en wat me eigenlijk het meest frappeerde is dat een Tienenaar de Grote Markt alleen maar ziet als een grote lege vlakte waar eens per jaar eens een muziekfestival wordt georganiseerd.

Maar het is wel zo dat we daar in het midden van de stad over een ruimte met gigantisch veel potentieel beschikken. Ik bedoel maar: de Tiense markt is de tweede grootste van België na die van Sint-Niklaas. Daar verwacht je toch wel enige creatieve invulling van. En ik denk wel dat er heel wat initiatieven worden ondernomen waarbij de markt een goede bestemming krijgt. Ik denk maar aan het ‘autosalon’ elk jaar en een aantal initiatieven van verschillende verenigingen doorheen de kalender. Het enige wat mij opvalt, is dat kleinschalige initiatieven soms wat aan gezelligheid inboeten door de grootte van de ‘groewete mèt’. Een beetje het effect van een bijeenkomst van 100 mensen in een zaal van 1000. In een kleinere ruimte spreek je met die opkomst misschien wel van een succes. In zo’n grote zaal klinkt de echo van de afwezigen misschien nogal luid.

Enfin, er zijn momenteel een aantal heel leuke zaken aan onze Grote Markt. De vele cafés en de gezellige terrasjes, de fameuze ‘boompkes’, het stadhuis dat statig tegenover het oude gebouw van het Vredegerecht staat, met daartussen als het ware de tennisscheidsrechter op zijn stoel. Inderdaad de O.L.V.-ten-poel-Kerk, staat autoritair tussen beide historische gebouwen. Die indeling heeft wel iets.Ik hou stiekem van de manier waarop de markt er vandaag uitziet. Los van de fontein, die wat mij betreft iets minder eenvoudig had mogen zijn, kan ik soms ’s avonds in het midden van de markt gaan staan (jawel, op de Ster) en het geheel in me opnemen. Hoe druk het er ook is, toch kan je een zekere rust in je opnemen wanneer je daar in het midden van Tienen staat. Dat gevoel heb ik toch nergens anders.

Alles kan beter natuurlijk! Mark Uytterhoeven zei het, en wie ben ik om hem tegen te spreken? En ik vraag me soms wel af wat er aan het uitzicht van de Grote Markt (inderdaad: het bakkes van de groewete met) zou kunnen veranderen om er een gezellig geheel van te maken. Zonder daarbij afbreuk te doen aan wat er vandaag al goed is.

Na een korte Google-zoekactie vond ik een aantal artikels waarbij ik las dat de geplande herinrichting van de markt op de lange baan wordt geschoven. Misschien is dat voorlopig niet slecht: laten we eens nadenken wat wij verwachten van onze eigen marktplaats. Hoe maken we de markt gezellig(er)? Wat moet er zeker komen en wat zeker niet? En heb ik het natuurlijk niet over een ondergrondse parking, maar wel over de bovengrondse inrichting. Ik ben benieuwd naar jullie reacties!

Ik reserveer alvast mijn eigen sofa in het midden van de markt. Dus als je snel bent: ’t is een driezit, er is nog plaats!

Gine ijle

“En van waar ben jij?” Een typische vraag die gesteld wordt wanneer je iemand nieuw leert kennen. Tijdens een opleiding, op een receptie, bij een nieuwe collega, zelfs wanneer je staat aan te schuiven bij de broodjeszaak is de vraag waar je vandaan komt een heel waarschijnlijk onderwerp. Haast filosofisch. En dan begint het: je accent heeft je al verraden. Je bent Limburger, West-Vlaming, Antwerpenaar…, maar je woont er niet meer. Da’s mooi meegenomen, dan kan je ook nog eens vertellen waarom je verhuisd bent. Voor de liefde, voor je werk, omdat het er goedkoper wonen is, noem maar op…

Recent stelde iemand me nog die vraag: “Waar kom je vandaan?” We zaten samen in mijn wagen op de E40 op weg van Gent naar Leuven. Ik pauzeerde even voor ik aanstalten maakte om een antwoord te formuleren, waarbij ik even wegmijmerde in de overweging om de existentiële toer op te gaan. Dan kon ik mijn gesprekpartner antwoorden dat ik niet helemaal zeker ben waar ik dan precies vandaan kom, maar dat ik me liever focus op wie ik ben en waar ik naartoe ga. Kwestie van niet in het verleden te leven. Gelukkig zijn pauzes al heel vaak mijn sociaal aanvaardbaar redmiddel geweest.

“Tienen?” Hij zei het met stem alsof hij net aan een fles zure melk had geroken. Ik vermoedde hierdoor dat hij al wel eens eerder gehoord had van de Suikerstad uit het Hageland. “Hm.” Een veelzeggende reactie, collaborerend met de oorverdovende stilte die erop volgde. “Ben je er al geweest?”, vroeg ik langs mijn neus weg, benieuwd naar z’n reactie. “Ja, hoor. Eén keertje.” Klinkt als een gezonde basis voor zijn ‘lichamelijke’ reactie op Tienen. Verder gaf hij geen commentaar. Na een korte aarzeling, mompelde hij: “Klopt het…euh… wat ze zeggen over Tienen?”
Mijn neus begon ineens heel hevig te bloeden, toen ik zei: “Hoe bedoel je?” Ik wist maar al te goed wat hij bedoelde. Ik weet wat er over Tienen ‘wel eens’ wordt gezegd. De onverzadigbare nieuwsgierigaard in mij kon het niet laten om te weten of er ook nog andere negatieve uitspraken over Tienen de ronde doen, dus ik zweeg en liet de bal in zijn kamp.
Aarzelend antwoordde hij: “…Je weet wel… Ze zeggen toch dat Tienen een beetje… een marginale stad is.” Voilà, het hoge woord was er uit. En waarom toch, vraag ik me af. Waarom heeft Tienen die naam? Waarom wordt er gesproken over de marginale driehoek? Voor diegenen die er nog nooit van gehoord zouden hebben: Aarschot, Diest en Tienen vormen de drie uiteinden van deze denkbeeldige figuur. Volgens een stadslegende zou Napoleon er, in zijn tijd, alle soldaten die door de oorlog gek geworden waren hebben laten kazerneren. Anders gezegd, die mannen waren er psychisch niet helemaal meer bij. Maar fysisch natuurlijk wel. En de rest kan je waarschijnlijk raden. Dat, zou de reden zijn voor de negatieve connotatie die Tienen al heel lang met zich mee draagt.

Maar waarom is dat vandaag nog? Laten we eens nadenken over alle marginale dingen in Tienen. In de bedrijfswereld? We hebben wereldbedrijven zoals Bosch, Sylvania, ISS, de Suikerraffinaderij, de Citrique, en ontelbare kmo’s die het heel erg goed doen. Natuurlijk gaat het niet altijd even goed, en dan nog misschien vooral nu, maar of dit onder de noemer marginaal valt… ik denk het niet. Dus daar ligt het al niet aan.
Is de oorzaak dan misschien te zoeken bij andere factoren? Misschien bij onze succesvolle tweedeklasse voetbalploeg. Of misschien bij het meest bezochte stadsfestival van Vlaanderen, Suikerrock. Ah, het zal waarschijnlijk te wijten zijn aan de rijke Romeinse geschiedenis die in Tienen terug te vinden is. Nee, dat lijken mij allemaal geen marginale toestanden.

Waar ligt het dan wél aan? Wacht… we hebben ook een vrij omvangrijke Grote Markt. Daarop organiseren we elke week, je raadt het nooit, de markt. We hebben eigenlijk een zee van ruimte om eender wat te organiseren in het midden van de stad. Negatief? Niet echt. Hmm… het wordt moeilijker.
Tienen is overal dichtbij: Leuven, Brussel, Hasselt. Nee?
Tienen is aangenaam om wonen? Da’s ook positief.
Tienen… heeft één van de mooiste dialecten uit Vlaanderen. Dat is ook wel zo, maar is nauwelijks marginaal te noemen. Het enige wat jammer is, is dat ik die dialectische massage nooit leren geven heb. Echt jammer.

Ik geef het op! Ik kan maar niet vinden wat er dan precies zo marginaal is aan Tienen. Ik weet het echt niet. Ik kan alleen maar goede dingen verzinnen en ik ben er nog fier op ook.
Oh ja, nog even terug naar het gesprek met de man in mijn auto. Ik antwoordde hem gewoon: “Ik weet het niet.” Hij keek even onderzoekend in mijn richting en ging dan over op een ander onderwerp. Waarom wilde ik hem niet overtuigen? Ik keek glimlachend voor me uit, in de verte over het verse asfalt, en realiseerde me dat ik het geheim van mijn thuishaven, onze stad, niet te grabbel wilde gooien.

Wil je meer weten? Surf naar www.opgewekTienen.be en laat je inspireren!

Je fume, donc je suis…

“Begin maar te roken, dan dood je al die bacteriën in je lichaam wel!” Een ex-collega zei dit eens tegen me terwijl ik met een joekel van een verkoudheid zat, waarbij mijn hoofd zo vol met snot zat, dat als ik mijn ogen iets te hard sloot, er, jawel, ook langs daar iets durfde te ontsnappen. “Hoe is het mogelijk”, dacht ik, “Dat je nog steeds kan doen alsof roken eigenlijk niet zo heel erg is?” Bwoa, je longen worden maar zwart en zijn doordrongen van teer (Ja, inderdaad, dat spul waarmee wegen, daken, en zo… gelegd worden), je raakt er bovendien nog eens verslaafd aan, en het is ondertussen bewezen dat je er dood aan gaat (langzaam, dat wel, maar toch…).

Bwoa, wat doet één sigaretje zo nu en dan, buiten voor lip, long- en andere kankers zorgen? Wat doet één sigaretje nu maar meer dan een grote hap uit het huishoudbudget nemen? En waarom is het feit dat je uithouding er sterk op achteruit gaat nu van belang?

Er is een tijd geweest dat roken een icoon was. Het was ‘cool’. James Dean rookte. Niet alleen hij, maar ook alle andere bekende koppen rookten op en van het scherm, wat men in Nederland een ‘saffie’ noemt. Je deed het dus, omdat het cool was. Die tijd is echter al lang voorbij. Enige peer-pressure terzijde gelaten, is er nu nog weinig ‘imago’ aan het roken van een sigaret. En toch stijgt het aantal minderjarige rokers…

Het enige wat voor een niet-roker onaanvaardbaar zou moeten zijn, is het passief meeroken. Deze rook is veel ongezonder, want ongefilterd. Ik hoor vaak rokers zeggen: “Ik doe wat ik wil, het is mijn lichaam, en ik beslis wat ik ermee doe!” Akkoord, maar ik ook! Daarmee dat het positief is dat er langzaam maar zeker een anti-rookwetgeving opgesteld wordt. Bijna zo langzaam als de dodelijke gevolgen van het roken zelf, maar het gaat de goede richting uit.

Hoe dan ook, maakt het me zelf niet écht zoveel uit als er mensen rondom me heen roken. Mijn beide ouders roken, dus ik ben het ondertussen al gewoon. Toch kan ik het soms niet laten om mensen er (vriendelijk en beleefd, maar daarover een volgende keer meer) op te wijzen dat er op sommige plaatsen niet gerookt mag worden. In het station bijvoorbeeld. Of op het perron. In mijn studententijd stond ik rustig op het perron op mijn trein te wachten. Ik was iets te vroeg en er stond dus nog weinig volk te wachten. Schuifelt er daar ineens vanuit de donkere krochten van de wandelaarstunnel een oud vrouwtje (nog ouder dan een moedertje) op het perron, zo weggelopen uit een heksensprookje (het kan ook een rusthuis geweest zijn…).

Ze stopt net naast me. Ze haalt een zakje tabak tevoorschijn (zo eentje dat ze zelf nog heeft bijgevuld met tabak van eigen teelt). Ze rolt daarmee vakkundig, zoals alleen bissende en trissende studenten dat kunnen, een sigaret, die, en ik overdrijf niet, enorm was. Dat is natuurlijk relatief tegenover een klein oud dametje, maar toch. Ze neemt haar vooroorlogse aansteker, die ongetwijfeld op diesel brandt, en steekt haar sigaret(je) aan. Er stijgt daar een damp op, onwaarschijnlijk. De meeste andere passagiers vonden het raar dat er ineens een dikke mist kwam opzetten en toen kwam ik op het lumineuze idee: “Goh, laat ik maar eens vriendelijk vragen of ze het heel erg zou vinden om haar sigaret uit te doen”, omdat het zichtbaar bijna iedereen stoorde (ook de andere rokers, dus dat zegt al wel iets…). Ik daar naartoe: “Euhm… excuseer mevrouw, u mag hier eigenlijk niet roken. Zou u het heel erg vinden om uw sigaret te doven, want het is niet echt aangenaam”.

Ik dacht al dat dat dametje zich op een bedeesde manier zou verontschuldigen en d’r rookstokje zou uitdoen. Boy, did that blow up in my face! Ik bespaar jullie de details, maar ik geloof dat ik nog nooit zo’n gore verwijten gehoord heb komende van… eender wie eigenlijk! Nadat het dametje ermee gedreigd had haar sigaret vakkundig te doven in combinatie met m’n aars (echt waar!), besloot ik om wijselijk naar een ander deel van het perron te gaan. Dus je ziet maar, sommige rokers zijn onverbeterlijk én ook nog eens onnoemelijk grof in het verdedigen van hun verslaving. Je fume, donc je suis…? Oui, mais un peu moins long et moins poli, je regrette…

Dijkschijter!

U kent ze wel: de hondeneigenaars die zich niets aantrekken van het verbod op honden op het strand en die hun lieftallige huisdier op de meest strategische plaatsen van de dijk ‘hoopjes’ laten maken. Niet dat we iets tegen honden hebben, neeuhj, verre van. Tenzij enkele kattenliefhebbers, die niets van onze trouwe viervoeter willen weten, wegens niet eigenzinnig genoeg (zoals Minneke Poes dat wél is) of wegens te groot of te veel kwijl (Sint-Bernard, iemand?). Neen, Fikkie kan er niks aan doen. Het zijn echter de eigenaars van Fido die zich niets aantrekken van enige bepalingen die door de verschillende kustgemeenten worden opgelegd.

Wie is er al niet eens in een hondenpoep getrapt? Wie ergert er zich nu niet eens aan de honden die ‘onbeheerd’ over het strand of over de dijk lopen? Toegegeven, meestal zullen de hondeneigenaars zich pas op het strand begeven, nadat de bewaking van de reddingsdiensten erop zit, zo rond zeven uur ’s avonds. Toch blijft het vervelend als we overdag uitwijkmanoeuvres moeten doen om niet over leibanden te vallen of om niet in ‘drollen’ te trappen.

Erger nog is dit fenomeen ’s avonds, wanneer iedereen zich aan het ‘dijklopen’ zet (Je moet van dat kustvocabularium houden, niet?). Natuurlijk komen dan alle oudere dames (‘moedertjes’) buiten om samen één of meerdere honden, die gemakkelijkheidshalve op maat van de eigenares werden gekweekt. Het zijn die typische schoothonden: de Yorkshire, de Shih-Tzu, de Malteser, de Chiouaoua (of zoiets), en noem maar op.

Eigenlijk zijn deze rassen te klein om hond genoemd te worden, maar vermits op de laatste conventie van de verenigde dierenrassen, elk ras een veto inriep met als intentie deze dieren te weren, én omdat de afgevaardigde Bobtail het te druk had met het besnuffelen van het achterste van de notuliste (niet toevallig een bevallige Franse poedel), werden deze door de natuur benadeelde schepsels, volledig onterecht het label ‘hond’ toegekend. ‘Knaagdier’ had niet misstaan, maar de vertegenwoordiging van de ratten haalde aan dat ze nog maar net de cavia’s een erkenning hadden gegeven en dat een extra belasting van de soort er voorlopig echt niet bij kon.

Maar we dwalen af. Het ging erover hoe weinig hondeneigenaars rekening houden met niet-eigenaars (vergelijkbaar met rokers en niet-rokers, maar daarover de volgende keer meer). We zouden eigenlijk al tevreden zijn, wanneer alle baasjes hun dieren goed aan de leiband houden en wanneer ze de ‘troep’ van hun lievelingen met een kakzakje zouden meenemen (of best weggooien, eigenlijk…). Was dit het geval, dan was er geen probleem. Dan zal niemand iets zeggen als er met deze honden vrolijk over de stranden gedarteld wordt.

Het is echter anders… Maar gelukkig voor ons, taalminnend Vlaanderen, geeft dit ook weer de ruimte voor door en door Vlaamse neologismen, die onze taal steeds weer verrijken. het is dan ook steeds weer met de glimlach dat je zegt (wanneer je schoenen weer eens om zeep zijn): ” ’t Is weer een dijkschijter!”