Selecteer een pagina

Een beetje gurig weer wanneer ik sta te wachten aan café Incognito. Iets voor vier komen onze fotograaf Karel en ik toe in het etablissement dat door Johny Hoebrechts werd gekozen om een gesprek te voeren over opgewekTienen. Een goede keuze, want naast een vrij moderne inrichting beschikt het café ook over een leuke binnenkoer waar Karel al onmiddellijk op zoek ging naar een goede plaats om foto’s te nemen. Ik wacht buiten op Johny en realiseer me dat ik vergat zijn gsm-nummer te noteren. We hadden een afspraak om vier en om kwart na belt hij me op, zich verontschuldigend. Ik vind het altijd aangenaam dat heel bekende mensen toch ook gewoon mens zijn gebleven. Ook Johny, beter bekend met de familienaam Voners, zegt me dat hij er binnen vijf minuten zal zijn. Ik ben gerustgesteld, het interview zal plaatsvinden.

Het is een uiterst ontspannen uitziende man die het woord neemt voordat ik mijn eerste vraag kan stellen: “Ik heb jullie website grondige bekeken. Ik beweer niet dat ik er acht uur heb naar zitten staren, maar ik las toch heel wat van jullie berichten met de nodige belangstelling. Wat me opviel is dat er een enorm optimisme uitgaat van het geheel. Jullie willen met opgewekTienen aan de kar trekken, aan de boom schudden en iedereen kan en mag meedoen. Maar ook als je dat niet zou willen, blijft de deur openstaan, want opgewekTienen blijft actief inspireren en motiveren. Dat vind ik knap en waardevol.”

Qua lof kon dat onmiddellijk tellen. Ik moet toegeven dat ik een beetje uit mijn lood was geslagen maar bedankte hem voor zijn complimenterende woorden. Hij had duidelijk begrepen waarmee we bezig zijn, en ik vertelde hem vervolgens wel nog dat we voor een stuk ook het medium ‘stadsblog’ gebruiken om onze boodschap bij de Tienenaar te brengen.

Tienen beweegt!

“Pas op,” zegt Voners, “ik ben ondertussen 64 jaar geworden en langzaam maar zeker word ik een oude man. Langzaam, hé (lacht). Websites zijn voor mij dus altijd te ingewikkeld. Dat heeft voor een groot stuk met de leeftijd, of liever, de ouderdom te maken. Voor mij zou een website eigenlijk zoals een gazet moeten zijn: eenvoudig, niet teveel doorklikken, begrijp je? Ik ben mee met het Internet, maar dikwijls is het té uitgebreid. Wat uiteraard niet wegneemt dat ik initiatieven zoals opgewekTienen die werken via een website absoluut wel kan smaken.”

“Ik heb ook het gevoel dat er meer beweegt in Tienen de laatste jaren, “zegt Voners wanneer ik hem vraag hoe hij het vermeende marginale imago beleeft. “Het is een gevoel dat ik heb wanneer ik in Tienen kom. Ik woon nu al wel sinds de jaren zeventig in Antwerpen om diverse redenen, dus ik kan niet beweren dat ik Tienen door en door ken, maar ik heb absoluut niet het gevoel dat Tienen marginaal is.”

Maar waarom dat imago dan? Voners denkt even na. Hij schudt zijn hoofd en zegt: “Tienen heeft altijd een hele belangrijke arbeidersbevolking gehad. Net zoals de mijnwerkers in Limburg had je hier de mensen die in de suikerfabriek werkten en vandaag nog werken. Maar is dat dan marginaal? Of marginaler dan ergens anders? Ik denk het niet. Ik heb ook nooit dat gevoel gehad, zoals ik ook al eerder zei. Maar als ik ergens lees dat Tienen marginaal is om die reden, dan vind ik dat maar een zwak argument. Dat is niet voldoende, want dat heb je overal. Ik geloof niet dat dat de grootste gemene deler is van Tienen.”

Iedereen wereldster

Karel, de fotograaf, onderbreekt het interview. Of we even naar buiten kunnen komen voor een aantal foto’s, want het licht begint langzaam weg te ebben. Ook tijdens de korte fotoshoot toont Johny Voners zich van zijn meest aimabele kant. Ik maak van de gelegenheid gebruik om hem een paar ‘andere’ vragen te stellen. Bijvoorbeeld, waarom zijn artiestennaam Voners is. “In die tijd, toen ik begon in de showbusiness, was het de gewoonte om onder een alias te spelen. En toen dachten we ook allemaal dat we wereldsterren gingen worden en ik koos dan ook bewust voor een naam die in Hollywood goed over de tongen zou gaan. Het werd een combinatie van de naam van mijn toenmalige lief en het toch wel Vlaams aandoende achtervoegsel ‘-ers’. Zowel in Vlaanderen als in de wereld een succes! Voners lacht luid en geeft onze fotograaf weer een mooi fotomoment cadeau. Ik bedenk dat sommige mensen toch echt wel in de wieg gelegd zijn voor een leven in de schijnwerpers.

De fotosessie is gedaan. Voners maakt nog een grapje en we gaan weer binnen zitten, want het is buiten ondertussen wat killig geworden.

Boodschap: de hoofdvogel afschieten

Ik vertel hem over de brainstorm die we met opgewekTienen organiseerden en over de selectie ideeën die we willen realiseren of helpen realiseren in Tienen. Hij reageert onmiddellijk enthousiast: “Ik heb met veel aandacht de ideeën uit jullie bevraging bekeken. Ik vind het mooi dat je een dertig- à veertigtal voorstellen op tafel legt, waarvan je er misschien een vijftal concreet weet te realiseren. Maar, eigenlijk zou je een soort speerpunt of ‘hoofdvogel’ moeten definiëren. Een soort hoofddoel waar je op mikt, waarmee je de hoofdprijs wil afschieten. Ik denk zo bijvoorbeeld aan Suikerrock, een initiatief dat ook klein begon en nu uiteindelijk iets geworden is wat je bij blijft en waar je overal kan over vertellen.”

Ik knik instemmend, de man heeft een punt. We moeten inderdaad proberen om Tienen op een heel specifieke manier op de kaart te zetten. Ik neem even snel een slok van m’n koffie, want Voners verduidelijkt zijn standpunt: “Ik herinner me nog, toen ik jonger was, dat er op de Grote Markt een nieuw café werd geopend. Eén van de bestaande cafébazen reageerde hierop nogal fel en verklaarde dat hij niet meer wist hoe de gevestigde tavernes nu nog hun centen moesten verdienen. Ik kon toen niet anders dan reageren. Ik vertelde die man over het feit dat mijn vrienden en ik vaak naar Scherpenheuvel gingen omdat daar een ‘bergop’ was waar de ene dancing na de andere gevestigd was. En iedereen ging dáár naartoe, want alles was dan ook dáár bij elkaar.” Voners geeft ook een voorbeeld dat hij toen aanhaalde uit het Antwerpse: “Als je in Antwerpen schoenen wil kopen -nu niet meer, maar toen- dan moet je naar de Offerandestraat gaan. Want daar is de ene schoenwinkel na de andere. Moet je schoenen hebben? Ga naar de Offerandestraat, daar vind je alles!” Voners pauzeert vooraleer verder te vertellen: “En dus zei ik tegen die cafébaas dat er eigenlijk 65 nieuwe cafés zouden moeten bijkomen op de Grote Markt. Dan zou geen enkele Tienenaar nog ergens anders op café gaan, hé. Dan bleven we allemaal hier. En dat is ook de reden dat een festival zoals Suikerrock zo’n duidelijke stempel is voor de stad. Die dertig of veertig straat- en buurtfeesten die in Tienen georganiseerd worden zijn versnipperde initiatieven. Zij dienen heel goed hun doel en zorgen ervoor dat de mensen geëngageerd blijven voor de gemeenschap, maar je zou er bijvoorbeeld je ‘hoofdvogel’ van kunnen maken.”

Het Tienen-gevoel

Geïntrigeerd vraag ik hem wat hij bedoelt. “Ik denk luidop: elke week een typisch Vlaams, zeg maar Tiens buurtfeest in een andere wijk, straat of buurt. Dan kan je zeggen tegen mensen die écht van buurtfeesten houden dat ze in Tienen moeten zijn. Ga naar Tienen, daar is elk weekend wel iets te doen, dáár organiseren ze de beste buurtfeesten. Dat zou je dan in heel Vlaanderen moeten bekend maken. Ook zo voor het cinema drive-in idee op de Grote Markt. Dat is iets speciaal. Dan zouden ze in Hasselt, Leuven of Sint-Truiden misschien wel zeggen: kom we gaan naar Tienen, naar de drive-in met de wagen, je moet zelfs niet uitstappen. Dat is wel iets tijdelijks, maar toch een manier om Tienen positief in de aandacht te zetten.”

Karel heeft net zijn materiaal opgeruimd en voegt zich bij ons. Hij bestelt ook een koffie en vraagt aan Voners welke goede herinneringen hij nog heeft aan Tienen. Voners glimlacht en denkt terug aan zijn kindertijd: “Vroeger vertelde mijn vader over de fratsen die ze uithaalden in Tienen toen ze jong waren. Maar dan spreek ik van voor de oorlog, hé. Zo bond een kameraad van mijn vader altijd een koordje rond zijn dikke teen wannneer ze met een hele groep uitgingen. Wanneer ze langs zijn huis kwamen hing dat koordje dan uit het raam zodat ze aan dat touwtje konden trekken zodat die vriend dan onopgemerkt kon meegaan. Zo gingen ze stiekem pinten pakken. Echt kwajongensstreken. Dat bestaat nu niet meer, dat vind ik misschien wel een beetje jammer.”

Ook over de inrichting van de stad is Johny Voners positief. Over de Grote Markt zegt hij heel specifiek dat hij ze mooi vind. “Tenzij je natuurlijk zegt dat een markt pas mooi kan zijn wanneer er geen auto’s geparkeerd staan, dan geef ik je helemaal gelijk. Maar ja, ik wil natuurlijk ergens kunnen parkeren met mijn auto wanneer ik in Tienen ben, hé.” (lacht)

Dat deze bekende Tienenaar een goedlachse man is én een hart voor Tienen heeft, zelfs na al die jaren in Antwerpen gewoond te hebben, is duidelijk. Ik merk dit ook wanneer ik hem vraag naar zijn inzet voor de Monumentenstrijd waar Tienen aan deelnam met de Tumuli uit Grimde. “Ik ben enorm blij dat ze me daarvoor gevraagd hebben. Maar ik was enorm teleurgesteld, voor een stuk ook in mezelf, omdat we de top drie niet gehaald hebben. En we waren er zó dicht bij! Misschien heb ik wel niet genoeg ‘gas’ gegeven, als ik zie hoeveel Stijn Meuris bijvoorbeeld voor Hasselt gedaan heeft. Enfin, ik vond het heel erg jammer voor Tienen.”

Onwillekeurig moet ik dan denken aan het typische Limburggevoel. Dat krijg je niet kapot. Ik vraag het hem. “Ah, het Limburggevoel, nu zijn we er! Dat hebben wij niet. En dat is jammer. Misschien moeten we daar wel aan werken. ‘De’ Limburg, zoals dat wordt gezegd, is natuurlijk een uitzonderlijk geval. Maar volgens mij ligt het aan het feit dat Tienenaars niet echt kunnen lachen. Een Tienenaar kan niet genoeg relativeren en dat kunnen ze in Sint-Truiden bijvoorbeeld wél. Ik geloof dat we daaraan een voorbeeld kunnen nemen, want we hebben zoveel potentieel. Een Tienenaar is, ten onrechte, niet content met wat hij heeft. Ik heb leren content zijn met wat ik niet heb. Dat is eigenlijk nog veel erger.”(lacht)

Ik kijk op mijn blaadje papier. Ik heb nog één vraagje staan: ik vraag Voners of hij het Tiense dialect nog beheerst. Een mooie afsluiter, want hij glimlacht en antwoord: “Natuurlijk! Dat verwatert niet, hé! Maar, ik gebruik het Tiens alleen maar als ik in het gezelschap van vrienden en familie ben. Ik geloof niet dat je in het alledaagse leven tegen iedereen, collega’s en kenissen, in het dialect moet spreken. Ik begon daarnet tegen jou toch ook niet in het Tiens. Dat past dan niet, vind ik. Ik bewaar dat voor mijn naaste omgeving.”

Karel en ik begrijpen zijn standpunt en ik geef aan dat mijn vragen uitgeput zijn. Ik bedank hem ook dat hij aan opgewekTienen een interview toestond. Voners trakteert ons nog een koffie en een Ice Tea en we praten nog even na. Iets na half zes moet hij gaan, hij bezoekt nog even zijn familie en keert daarna terug naar Antwerpen. Maar één ding is zeker: ik sprak vandaag een man met een hart voor Tienen en dat deed deugd.

Tekst: Kevin Logist
Foto’s: Karel Duerinckx